Van Maaren snapt de drank en horecawet niet

Vorige week donderdag ontstond er in de gemeenteraad (vanaf 0:56) een debat tussen Willem Foppen (CDA) en burgemeester van Maaren over het feit of de Drank en Horecawet van toepassing is op de jeugdhonken op het bedrijventerrein. Volgens de burgemeester is de wet pas van toepassing indien er commercieel gehandeld wordt met drank. Iemand is zo vrij geweest om dat eens haarfijn uit te zoeken om dat vervolgens in onze brievenbus te stoppen. Oordeelt u zelf, wie heeft gelijk: Willem Foppen of burgemeester van Maaren. Proost.

Drank- en horecavergunning op Urk?
Op Urk heb je te maken met verschillende zuipketen op het industrieterrein. De gemeente doet een oogje dicht en gedoogd deze situatie maar al te graag. Immers verschillende politieke partijen halen daar veel stemmen vandaan dus ach maak je niet zo druk, de jongens zitten daar lekker even bij elkaar. Dat daar overmatig drankgebruik met allerlei uitspattingen geen uitzondering zijn laat hun koud. In de laatste raadsvergadering van 30 april 2015 was er eindelijk een partij welke de wet eens letterlijk citeerde. Het betrof onder andere de simpele woorden vanuit artikel 1 van de Drank- en horecawet met uitleg van het begrip ‘horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. Voorzichtig leek het even of Unie Gemeentebelangen ook wakker werd maar helaas enkel de CDA en de fractie Hakvoort-Woord snapten de wet. De overige partijen en B&W zorgden er snel voor om niet al te lang bij dit punt te blijven staan en kwamen snel met andere discussies omtrent drank in de supermarkt. Dat moest maar eens verboden worden.
 
Het College van B&W en een groot gedeelte van de gemeenteraad schaart zich snel en keurig achter de wethouder G. Post Sr. Immers deze wethouder die weet het goed en is zooo goed. Hij krijgt tijdens een raadsvergadering bijna bij elke beantwoording enkel en alleen complimenten dat je als toeschouwer of buitenstaander bijna bang wordt en zich gaat afvragen wat hier toch achter zit.

Wethouder G. Post Sr zegt doodleuk dat een jeugdhonk geen horeca is en daarmee punt uit. Velen volgen hem en worden zelfs gefrustreerd als iemand de wet voorleest. Best verontrustend omdat er momenteel een rechtszaak loopt tussen gemeente Urk en de legale horeca. In de tussenuitspraak geeft de rechtbank toch al een drietal jurisprudenties aan waaruit blijkt dat jeugdhonken toch daadwerkelijk onder de wet vallen (zie (1) Kamerstukken II 1997-1998, 25 969, nr. 3, blz. 20, (2) ABRvS, 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3493 en (3) RVS, 3 februari 2011, ECLI:NL:RVS: 2011:BP3653. Stuk voor stuk uitspraken waaruit volgt dat wanneer sprake is van het betalen van entreegeld, het vragen van een geldelijke bijdrage voor alcoholhoudende consumpties dan wel het onderling verrekenen van de kosten voor de hoeveelheid geconsumeerde drank per persoon, sprake is van het anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank.

De gemeente Urk heeft opdracht gehad om met bewijslast te komen dat er gratis drank wordt verstrekt. Best lachwekkend, gratis drank in een jeugdhonk ofwel professionele bar. Overigens de tussenuitspraak is van 24-10-2014 en de gemeente moest binnen 6 weken met bewijslast komen. We zijn nu zo’n ruim 5 maand verder en het is best stil…. 

Verder indien zou blijken dat er toch gratis alcohol zou worden geschonken dan bied de wet hier ook weer een wettelijk kader. Immers dan wordt in strijd met artikel 25 van de Drank- en Horecawet gehandeld waarin het volgende is bepaald: “Het is degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf of horecabedrijf, een ruimte voor het publiek geopend houdt, verboden in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben, tenzij dit geschiedt ten dienste van het rechtmatig in die ruimte bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse…”

Kortom hoe dan ook, links of rechtsom, de wet is van toepassing!

Misschien is het best ingewikkeld allemaal met deze wet. Daarom eens een uitvoerige uitleg.

De Drank- en Horecawet regelt, kort gezegd, dat een vergunning nodig is voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse in een horecabedrijf en voor het bedrijfsmatig anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse.
Met andere woorden; op grond van de Drank- en Horecawet is een vergunning nodig voor het ondernemen van horeca-activiteiten en voor het exploiteren van een slijterij.
Naast de Drank- en Horecawet zijn er een aantal onderliggende besluiten en regelingen. In deze besluiten worden bijvoorbeeld eisen gesteld aan de ruimten waarin een horecabedrijf wordt uitgeoefend maar ook aan de leidinggevenden in een horecabedrijf.
Het Besluit inrichtingseisen Drank- en Horecawet stelt bijvoorbeeld eisen aan de plafondhoogte (minimaal 2,40 meter), de minimale oppervlakte van een horeca-inrichting (35 m²) en het aantal en de plaatsing van de toiletten.
Het Besluit eisen zedelijk gedrag verplicht de leidinggevenden van een horecabedrijf te voldoen aan een aantal eisen. Zo mag een leidinggevende bijvoorbeeld niet binnen de laatste vijf jaar wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld zijn tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en mag hij evenmin in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst.

Vergunnning horecabedrijf 
Artikel 3 van de Drank- en Horecawet bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf uit te oefenen. Een eerste vraag is dan wat op grond van de Drank- en Horecawet verstaan moet worden onder een horecabedrijf.
In artikel 1 van de Drank- en Horecawet wordt dit omschreven als ‘de activiteiten in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse’. Het moet dus gaan om óf een bedrijfsmatige activiteit óf het tegen betaling verstrekken van alcoholhoudende drank. Dus ook als het gaat om het verstrekken van alcohol tegen betaling is er een vergunning nodig, zelfs als dit niet direct te kwalificeren is als een bedrijfsmatige activiteit.
Overigens; wanneer er constructies worden bedacht waarbij consumptiebonnen of muntjes inbegrepen zijn bij de entree van een feest en op deze wijze wordt getracht het tegen betaling verstrekken van alcohol te omzeilen, kan reeds op voorhand worden geconcludeerd dat in de jurisprudentie is uitgemaakt dat hiermee toch wordt betaald voor de alcoholhoudende consumpties en een vergunning benodigd is.
Zou toch daadwerkelijk gratis alcohol worden verstrekt, dan wordt in strijd met artikel 25 van de Drank- en Horecawet gehandeld waarin het volgende is bepaald: “Het is degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf of horecabedrijf, een ruimte voor het publiek geopend houdt, verboden in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben, tenzij dit geschiedt ten dienste van het rechtmatig in die ruimte bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwakalcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse…”

Twee soorten vergunningen voor horecabedrijven
Op grond van de Drank- en Horecawet kan een vergunning worden verleend voor een commercieel horecabedrijf zijnde de reguliere horecabedrijven zoals cafés, restaurants, hotels en dergelijke. Deze vergunningen worden op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet verstrekt. In een dergelijk horecabedrijf mogen zowel zwak alcoholhoudende dranken als sterke dranken worden verkocht. Er mogen echter geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt om elders te nuttigen dan ter plaatse. Alle verstrekte alcoholhoudende dranken dienen genuttigd te worden in een horecalokaliteit die op de vergunning aanwezig is of op een terras dat op de vergunning staat vermeld.

Op grond van artikel 4 van Drank- en Horecawet is het tevens mogelijk om voor zogenaamde paracommerciële instellingen een vergunning af te geven. Het gaat dan om instellingen die slechts als nevenactiviteit alcoholhoudende dranken verstrekken en een hoofdfunctie hebben op een geheel ander vlak. Het kan dan gaan om instellingen met een recreatieve, educatieve of sportieve functie zoals voetbalclubs, culturele instellingen en vergelijkbare instanties. Gemeenten moeten verplicht een verordening met regels voor paracommerciële instellingen opstellen. Onderdeel van deze verordening zijn regels voor het houden van besloten partijen en de schenktijden.

Inrichtingseisen
Een drank- en horecavergunning wordt altijd verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf in een inrichting. Een drank- en horecavergunning kan dus, met andere woorden, niet verleend worden aan - bijvoorbeeld - ondernemers die drank verstrekken met een reizend bedrijf zoals kermisexploitanten of uitbaters van een oliebollenkraam. Een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend dient aan een aantal inrichtingseisen te voldoen. Allereerst dient de inrichting, zoals alle bouwwerken in Nederland, te voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Voorts dient een inrichting een oppervlakte van minimaal 35 m² te hebben, een hoogte van ten minste 2,40 meter vanaf de vloer, dient de horecalokaliteit voorzien te zijn van een rechtstreeks met de buitenlucht in verbinding staande, goed werkende, mechanische ventilatie met een bepaalde vastgestelde luchtverversingscapaciteit, dient in de horecalokaliteit elektriciteit, voorziening voor drinkwater en een telefoon aanwezig te zijn, moeten in (de onmiddellijke nabijheid van) de horecalokaliteit ten minste twee van elkaar gescheiden toiletgelegenheden aanwezig zijn, moet elke toiletgelegenheid voorzien zijn van één of meer toiletruimten en één of meer voorzieningen om de handen met stromend, deugdelijk drinkwater te kunnen wassen en moeten de toiletten voorzien zijn van een waterspoeling en mogen de toiletten niet rechtstreeks toegankelijk zijn vanuit de horecalokaliteit. 

Vanzelfsprekend kunnen sommige van deze voorschriften, met name waar het gaat om de aanwezige toiletten, nog wel eens vragen oproepen. Wanneer is bijvoorbeeld sprake van toiletten die niet rechtstreeks toegankelijk zijn vanuit de horecalokaliteit. Zijn dat alleen toiletten waarbij nog een ‘sluis’ aanwezig is tussen de daadwerkelijke toiletruimte en de horecalokaliteit of kan aan dit voorschrift ook worden voldaan indien de toiletten in een gang zijn gevestigd? Ook kunnen zich problemen voordoen rondom het meten van de minimale hoogte. Als bijvoorbeeld een plafond gekenmerkt wordt door zeer vele balken welke geen minimale afstand tot de vloer hebben van 2,40 meter, dan kan men zich afvragen hoe men dient te meten.

Tapontheffing
Een uitzondering op het uitgangspunt dat een horecabedrijf alleen kan worden uitgeoefend in een inrichting wordt gevormd door de ontheffing op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet waardoor bij evenementen ontheffing van het verbod van de Drank- en Horecawet verleend kan worden voor het verstrekken van zwak alcoholhoudende dranken.

Het moet daarbij gaan om bijzondere gelegenheden van zeer incidentele aard, zoals een straatfestival, Koninginnedag of een lokale feestweek. De leidinggevende die achter de tap staat moet in het bezit zijn van een SVH-verklaring, de aanvrager hoeft dat formeel niet te zijn.

Let er wel op dat deze ontheffing alleen geldt voor zwakalcoholhoudende dranken en niet voor sterke drank. Als de ontheffing wordt verleend ten behoeve van een locatie grenzend aan een bestaand terras kan dit dus tot de merkwaardige situatie leiden dat op het ene deel van het terras wel sterke drank verstrekt mag worden en op het andere deel niet.

Leidinggevenden
Als er alcoholhoudende dranken worden verstrekt in een inrichting, dient altijd een leidinggevende aanwezig te zijn.
Artikel 8 van de Drank- en Horecawet stelt eisen aan de leidinggevenden welke op de drank- en horecavergunning worden vermeld. De leidinggevenden mogen niet uit de ouderlijke macht of de voogdij zijn ontzet, mogen niet onder curatele staan, mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn en moeten voldoen aan de eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag zoals gesteld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. Bovendien dient de leidinggevende de leeftijd van 21 jaar te hebben bereikt en dient hij/zij te beschikken over een Verklaring Sociale Hygiëne.
Met name de eis van het niet mogen zijn van slecht levensgedrag roept vele vragen en verschillen van mening op. Of voldaan wordt aan deze eis valt uiteen in enerzijds het niet zijn van slecht levensgedrag en anderzijds het voldoen aan de eisen ten aanzien van zedelijk gedrag zoals gesteld in het besluit. Gemeenten mogen echter ook andere overtredingen en misdrijven die in het besluit zijn genoemd ten grondslag leggen aan de beoordeling van slecht levensgedrag. Het gaat hierbij nadrukkelijk om twee toetsingsgronden. Uiteraard dient de gemeente dan wel goed te motiveren waarom andere dan de overtredingen en misdrijven als genoemd in het besluit haar aanleiding geven om te veronderstellen dat de leidinggevende van slecht levensgedrag is.
Bij de beoordeling of er sprake is van afwijking van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet mag slecht een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van de beslissing om een aanvraag drank- en horecavergunning worden meegewogen.

Overige weigeringsgronden
De Drank- en Horecawet-vergunning is een zogenaamde ‘gebonden beschikking’. Dat betekent dat de vergunning verleend moet worden als er zich geen strijd voordoet met een van de weigeringsgronden in de wet en geweigerd moet worden als één van die weigeringsgronden zich wel voordoet. De gemeente kan hier niet een zelfstandige belangenafweging in verrichten.

Zo zal bijvoorbeeld een Drank- en Horecawet-vergunning verleend moeten worden ook al is de exploitatie van een horecabedrijf in strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is namelijk geen weigeringsgrond zoals opgenomen in de Drank- en Horecawet, ook al betekent een horeca-exploitatie in strijd met het bestemmingsplan feitelijk dat niet geëxploiteerd mag worden. De wetgever is voornemens om dit in de nieuwe Drank- en Horecawet aan te passen.
De hierboven besproken weigeringsgronden zijn verreweg de belangrijkste weigeringsgronden voor een drank- en horecavergunning, maar in de wet zijn ook nog andere weigeringsgronden opgenomen. Daarbij kan gedacht worden aan de situatie waarin redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn, het zogeheten schijnbeheer, of de situatie waarin het verlenen van de drank- en horecavergunning in strijd zou komen met de openbare orde.

Geldigheidsduur
De drank- en horecavergunning is niet gebonden aan een geldigheidstermijn. De vergunning blijft geldig totdat er een nieuwe of gewijzigde vergunning wordt verstrekt, de vergunning vervalt of wordt ingetrokken.

Een vergunning kan bijvoorbeeld worden ingetrokken op het moment dat de inrichting niet meer overeenstemt met de omschrijving in de vergunning. Dit kan zich voordoen indien de op de vergunning aangegeven lokaliteiten er anders zijn komen uit te zien door een verbouwing of wijziging. Ook indien de exploitant wijzigt omdat de onderneming wordt overgedaan aan een andere natuurlijke of rechtspersoon, dan dient er een nieuwe drank- en horecavergunning te komen. Ook veranderingen in de bedrijfsuitoefening tot welke de vergunning strekt kunnen aanleiding zijn voor een nieuwe vergunning. Verandert er echter niets aan het horecabedrijf in vergelijking met de situatie waarvoor de vergunning is verleend, dan blijft de vergunning in beginsel gewoon geldig.

Reacties

Een mijlpaal, onze nieuwe horecanota is er weer door!
En uiteraard niets over barretjes want, ik citeer dhr Post : 'ik heb geen aanwijzingen voor drankverkoop'.
  • Swiebertje
  • 26-06-2015
  • 03:12

Schrijf reactie

Je bent niet ingelogd!
Log in of maak een account aan.